Eigen werk en vondsten komen samen in het oeuvre van Anthony D’Hoop. Humor, taal en vergankelijkheid krijgen er een hoofdrol. ‘Ik hou van objecten die al een leven achter zich hebben. Het materiaal verzamelt als het ware zelf herinneringen.’

Oostende heeft vele gezichten. Het is de stad van James Ensors maskers, van Stefan Zweigs ballingschap en Joseph Roths melancholische dwaaltochten door hotelgangen. Een plek waar de wind niet alleen zand, maar ook verhalen meevoert. In die traditie werkt Anthony D’Hoop, een kunstenaar-verzamelaar met een atelier dat voelt als een levend archief: een speeltuin vol humor én een stille plek waar het geheugen tastbaar wordt.

Wanneer ontdekte je dat kunst belangrijk voor je was?

Dat begon al vroeg. Mijn vader was heel creatief. Hij noemde zichzelf geen kunstenaar, maar hij maakte mallen en gipsafdrukken. Die technieken gebruik ik nu nog steeds. Hij nam me mee naar musea, als kind ging er daardoor een wereld voor me open. Ik ging acht jaar naar de academie en koos later voor de kunsthumaniora. Mijn ouders hebben me altijd gesteund. Veel van wat ik nu maak, heeft daar zijn oorsprong.

Je schakelt tussen schilderijen, objecten en installaties. Hoe organiseer je dat?

Ik speel graag met taal en beeld, en probeer die op een ludieke manier samen te brengen. De humor die erin vervat zit, verbindt al dat werk. Ik wil mensen laten lachen en tegelijk prikkelen. Mijn praktijk zie ik vooral als een speeltuin. Ik hou van afwisseling en werk vaak aan verschillende projecten tegelijk. De context bepaalt het medium.
Bij groepstentoonstellingen speel ik in op de ruimte en kies ik voor installaties. Werk ik voor mezelf, dan kies ik sneller voor schilderen of tekenen, omdat dat een directe manier is om ideeën vast te leggen. Die vrijheid houdt mijn praktijk levendig.

Je bent naast kunstenaar ook een fervent verzamelaar. Hoe uit zich dat in je werk?

Voor mij zijn die twee niet te scheiden. Zonder mijn verzameling zou ik veel van mijn installaties niet kunnen maken. Als kind verzamelde ik schelpen en krabbenpantsers met mijn vader. Die heb ik nog altijd. Alles wat ik bewaar, krijgt vroeg of laat een plek. Soms pas na jaren, maar uiteindelijk blijkt elk object betekenisvol. In mijn atelier staan kistjes, snijplanken, een oude schoolbank vol ingekerfde boodschappen… Voor mij zijn kistjes kleine geheugenkastjes: perfect om iets in op te bergen en er later opnieuw naar te kijken. Soms schilder ik iets speels of absurd op het deksel. Ze zijn tegelijk praktisch én symbolisch: ze bewaren mijn objecten, maar ook mijn ideeën. Zo’n kistje openen biedt daardoor meteen een blik op mijn werk.’

Wanneer wordt een herinnering een kunstwerk?

Vaak gebeurt dat spontaan. Mijn verzameling is een voorraadkast vol inspiratie. Ik heb stenen en mineralen uit IJsland en Groenland, schelpen uit Noorwegen, aarde uit Pompeï. Ik archiveer alles zorgvuldig in laden en kasten, per thema en per land. Mijn fascinatie voor de natuur speelt hierin een grote rol. Elk voorwerp dat ik mee naar huis breng, vormt een tastbare herinnering aan een specifieke plek. Gevonden objecten en zelfgemaakte werken komen samen in mijn archiefkasten en raken met elkaar verweven. Wat voor anderen rommel is, kan voor mij een ankerpunt zijn. Het stemt me vaak treurig dat mensen dingen zomaar weggooien. Ik geef die objecten graag een tweede leven.’Taal speelt ook een rol in je werk.

Hoe werkt dat?

Soms vertrekt een werk vanuit een woord dat me triggert. Hamsteren is daar een goed voorbeeld van: een woordspeling die leidde tot honderden geschilderde plakjes ham en installaties. Ik gebruik ook vaak West-Vlaamse uitdrukkingen. Voor streekgenoten zijn ze grappig en herkenbaar, voor anderen vooral visueel. Zo ontstaat een dubbele laag: kunst als universele én persoonlijke taal.

Je gebruikt vaak materialen die verouderen. Waarom?

Ik hou van objecten met een patina, die al een leven achter zich hebben. Hout draagt sporen van gebruik, latex verkleurt en barst na verloop van tijd. Die onvoorspelbaarheid maakt een werk spannender. Voor mij zijn dat geen gebreken, maar kwaliteiten. Het materiaal verzamelt zelf herinneringen.

Hoe reageren mensen op je werk?

Ik neem af en toe deel aan kunstprojecten, omdat ik het belangrijk vind mezelf artistiek te blijven uitdagen. Maar het maken staat voorop. Toch geniet ik van reacties. Mensen lachen, raken in gesprek. Dat spontane contact is waardevol. Als kijkers hun eigen herinneringen projecteren op mijn werk, dan wordt het niet alleen mijn verhaal, maar ook dat van hen.’

Met wie zou je graag eens een duotentoonstelling doen?

Moeilijke vraag. (lacht) Misschien met Wim Delvoye. Ik hou van zijn absurditeit en humor. Zijn Cloaca-project gebruik ik zelfs in mijn lessen. Leerlingen vinden dat hilarisch. Het opent hun blik op wat kunst allemaal kan zijn.

Hoe reageren jongeren op dat soort voorbeelden?

In eerste instantie geloven ze vaak niet dat zoiets kunst is. Maar dat is precies de uitdaging: uitleggen dat kunst ook om concepten gaat. Daarna laat ik hen zelf machines bedenken, geïnspireerd op Cloaca. Hun eigen absurditeit opent de deur naar een bredere kijk op kunst.

Waar zie je jezelf over dertig jaar?

Hopelijk geef ik dan nog steeds les, want dat doe ik graag. Artistiek zou ik het fijn vinden als mijn werk in musea belandt. Niet omwille van het succes, maar omdat het dan deel wordt van een groter geheugen. Kunst is voor mij: herinneringen vastleggen. Het idee dat er iets van mij blijft bestaan, vind ik mooi.’

Dit interview verscheen in Kunstletters #031
Foto’s: Liesje Coghe


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder