Jae Ko, Striated, 22Muse, Antwerpen. Tot 28 november 2026.

Ergens in de herfst van 2046, op een plek die we nog niet hebben vastgelegd, heb ik een afspraak met Jae Ko. De vragen liggen al klaar. Zij zal mij vragen of ik nog schrijf, en ik zal haar vragen of ze nog kunst maakt. We gaven elkaar de hand op het einde van ons gesprek in 22Muse. Ik zei “we have a deal” en zij zei “absolutely”, met de stelligheid van iemand die al veertig jaar aan hetzelfde materiaal trekt en niet van plan is daarmee op te houden. Het was het slot van het interview, maar het lijkt me het juiste begin van dit verhaal. Papier kun je omkeren om de achterkant te bekijken, en een tekst ook.

Papier dat vergeten is dat het papier is

Wie de galerie binnenstapt, ziet eerst geen papier. Je ziet spiralen die zo strak zijn opgerold dat ze aan jaarringen doen denken, of aan stenen die de zee lang genoeg heeft rondgedraaid om er een vorm aan te geven die niemand had bedacht. Pas van dichtbij zie je de lagen, duizenden misschien, opeengeperst tot een massa die eerder naar geologie verwijst dan naar kantoorbenodigdheden.

Mijn eerste vraag was dan ook de eenvoudigste: hoe krijg je het papierachtige uit papier? Als je dertig jaar met papier werkt, antwoordde ze, leer je vanzelf wat het voor je gaat doen. Dat komt niet meteen. Ze probeerde ambacht en design, steen en metaal, maar die materialen zaten haar nooit lekker. Pas in Japan vond ze het materiaal waarin ze zich thuis voelde.

Ze verveelt zich snel, zei ze, heel snel zelfs. Dat is een merkwaardige bekentenis van iemand die sinds 1998 aan dezelfde reeks werkt. Misschien is dat precies het punt: wie zich snel verveelt en toch bij één materiaal blijft, moet er telkens iets nieuws in vinden.

Het nederige papier van de kassabon

In Amerika wachtte het papier dat iedereen van een Aziatische papierkunstenares verwacht: rijstpapier, handgeschept papier, chic papier met vezels en watermerken. Ze verveelde zich er onmiddellijk mee. Mooi papier hoeft niet aangeraakt te worden, legde ze uit, want het is zelf al een kunstwerk.

Dus nam ze wat er rondslingerde in een land dat alles op rollen verkoopt: inpakpapier, bruin pakpapier en uiteindelijk de rollen van rekenmachines en kassa’s. Het papier van de bon die je bij de bakker in je jaszak propt en drie weken later in de wasmachine terugvindt. Ze gebruikt bewust gerecycleerde rollen, met minder chemicaliën dan de gecoate soorten. Mensen vragen haar weleens of het dan toch niet vol chemicaliën zit. Alles waarop we leven zit vol chemicaliën, antwoordde ze, en na mijn instemmende “okay” voegde ze eraan toe: behalve misschien biologische groenten.

Er was een periode van experiment die ze vertelde zoals je een jeugdzonde vertelt. Ze sneed bruin pakpapier in stroken en begroef het in zee, vlak voor de vloed, altijd in de winter, wanneer de parkwachters er niet zijn. Ik noteerde het niet als milieudelict maar als methode. Ook in haar atelier laat ze het water de vorm bepalen. Op een bepaald moment moet ze het papier eruit halen, anders valt alles uit elkaar. Maar wanneer dat moment is, beslist ze niet helemaal zelf. Het papier zegt het: stop, haal me eruit. We communiceren de hele tijd.

Een gesprek met papier

Wat heeft papier je geleerd, vroeg ik haar. Het leert me nog altijd, zei ze. Het praat tegen me en ik moet terugpraten. Ze wist dat het gek klonk, maar schilders doen hetzelfde met hun doek. En toen keek ze naar een van de werken aan de muur en zei, alsof ze een oude kennis in een café herkende: “Hello, paper.”

Ik herkende het meteen en zei het haar ook. Ik praat met woorden, alleen praten die niet altijd terug, en als ze het doen, is het meestal om te zeggen dat ik ze op de verkeerde plek heb gezet.

Ik vroeg, half als grap, of ze zich bij haar papier verontschuldigt als ze twee minuten te laat in het atelier komt. “Right,” zei ze, “I do that.” Er zit iets ontroerends in het beeld van een kunstenares die excuses aanbiedt aan een rol kassapapier. Het is een vorm van respect die met stiptheid begint, met het besef dat het materiaal al op jou wacht.

Het atelier is haar natuurlijke habitat. Ze noemt zichzelf zonder enige spijt een workaholic en moet zichzelf dwingen er weg te gaan, alsof reizen haar op voorschrift is opgelegd. Want het liefst is ze daar, alleen met haar papier: “I just love to be on studio all by myself.”

Haar man is ook kunstenaar. Hun atelier op een klein eiland in Maryland is één groot blok, door een muur in tweeën gedeeld. Haar deur gaat op slot. Komt hij toch aankloppen, dan is het antwoord kort en onverbiddelijk: “Get out of here. I’m working.” Ze delen geen ideeën en zelfs geen curatoren. Het klonk als het meest harmonieuze huwelijk dat ik me kan voorstellen.

Strak en los

Er lijken twee Jae Ko’s te bestaan. De ene rolt, perst, bindt en snijdt tot alles muurvast zit. De andere laat los in installaties waar het papier hier strak aangetrokken en daar ontspannen hangt, zodat het licht ertussen kan spelen. Een driedimensionale tekening met licht, noemt ze het.

Die installaties zijn altijd plaatsgebonden. Ze maakt maquettes op schaal en loopt door de ruimte, en dan doet ze toch iets anders dan gepland. Een schets is er om te veranderen. Of ze dezelfde installatie twee keer kan maken? “I’m not a robot.” Ik kon het niet laten te vragen of ze dan iets kleiner kon, en in het blauw. Ze kleurt haar installaties niet, legde ze uit. Hier werkt ze met wat er is, en met het licht dat de ruimte haar geeft.

Ik legde haar de vraag voor die we in Vlaanderen zo graag stellen, waar we de grens tussen kunst en design met prikkeldraad afzetten: ben je kunstenaar of ontwerper? Wie haar werk bekijkt, mag het interpreteren zoals hij wil, vond ze. Toen ik haar erop wees dat ze net zelf “mijn kunstwerk” had gezegd, stuurde ze me weg: “Get out of here.”

Dennen die opzij groeien

De draaiende, kronkelende werken begonnen met een plagerij. Haar man zei ooit dat haar werk eigenlijk tweeënhalf dimensionaal was en geen echte sculptuur. “Okay,” zei ze, “I will show you three dimensional.” Het antwoord vond ze op een lange roadtrip naar het westen, ver van de steden, op plekken waar geen mens te bekennen is.

Op de grens tussen Californië en Utah staan de bristlecone pines, dennen van vijfduizend jaar oud in een meedogenloos landschap van wind en kou. Ze groeien niet omhoog maar opzij, omdat de wind ze al duizenden jaren in een andere richting duwt. Als ze sterven, blijven ze staan en bewaart de droge lucht elk detail van hun gedraaide hout. Papier komt van hout, hout komt van bomen. Dus begon ze te draaien.

Het vroeg oefening, oefening en nog eens oefening, en ingenieurswerk om zoiets te laten hangen. Het komt allemaal uit het dagelijkse leven, zei ze, uit wat je ziet en wat je waardeert. Dat is, denk ik, wat we allemaal doen.

Blauw van onder het water

Jarenlang werkte ze in het zwart van de sumi-inkt: inkt van verbrand hout op papier van hout, een gesloten kring. Toen reisde ze naar Nova Scotia en Labrador, waar ijsbergen drijven waarvan het grootste deel onder water verborgen zit. Wie dichterbij komt, ziet alleen blauw. Daar kwam het ultramarijn vandaan. Een borstel gebruikt ze nooit, want die zou alle lagen doen verdwijnen. Ze werkt met sprays, sommige zo fijn als mist.

Zo kwam ze ook bij rood, wat haar zelf verbaasde, want ze draagt nooit rood. Pas later besefte ze dat fel blauw, rood en geel de nationale kleuren van Korea zijn, de kleuren van het gele jasje en de rode rok van de traditionele dracht. Ze vertrok uit Korea toen ze negentien was. Ze is geen zalm, zei ze droog, maar als je ouder wordt, verlang je naar de plek waar je geboren bent.

In Amerika voelt ze zich na al die jaren nog steeds geen deel van het geheel. Ze is Aziatisch, ze kan niet kopiëren, dus moet ze in haar werk duidelijk maken wie ze is. Vroeger maakte haar dat boos. Nu is ze een beetje zen geworden. Een criticus mag schrijven wat hij wil, zei ze, het is zijn mening, maar dit is haar werk. “I’m very stubborn.”

Ik beschouw mezelf als gewaarschuwd.

Een rots van papier

Papier lost op in water, en toch maakt zij er iets mee dat verzamelaars aan hun muur hangen alsof het voor de eeuwigheid is. Een delicaat materiaal wordt een rots, zei ze. Doordrenkt papier wordt niet zacht maar hard en zet uit tot de dubbele dikte. Wat zacht lijkt, is hard. Hoe lang het zal houden? Een paar honderd jaar, dacht ze.

Het persbericht spreekt over sculptuur als “temporal record” en over “material agency”. Zij zegt: een paar honderd jaar, denk ik. Ik weet welke zin ik onthoud.

Wie wie moet vinden

Een commerciële galerie moet verkopen, legde ze uit, met een zakelijkheid die je niet verwacht van iemand die met papier praat. Zo krijgt zij geld en koopt ze meer papier. Over de grote galeries die alleen grote namen tonen, was ze minder diplomatisch. Ze verpesten de kunst. Zelf klopte ze nooit bij een galerie aan. De galerist moet jou vinden, niet andersom. Haar raad aan jonge kunstenaars: verspil je tijd niet en ga werken.

In Antwerpen vond Francis van 22Muse haar, en hem vertrouwt ze. Antwerpen bevalt haar beter dan Washington. Dat noteer ik zonder lokaal chauvinisme.

Haar werken hebben geen titels, alleen JK, een nummer en meestal de kleur. “Jij mag een titel maken,” zei ze. Dat heb ik gedaan. Hij staat bovenaan.

Afspraak in 2046

Mijn laatste vraag was welke vraag ze over twintig jaar zou willen beantwoorden. Ze hoefde er niet over na te denken: of ze nog kunst maakt. Als schoolkinderen haar naar haar doel vragen, zegt ze altijd hetzelfde: zolang ik kunst blijf maken, ben ik geslaagd.

Dus vroeg ik het haar meteen, twintig jaar te vroeg. Maak je nog kunst? “Exactly,” zei ze. Zij zal mij over twintig jaar vragen of ik nog schrijf, en ik hoop dat ik dan iets beters te zeggen heb dan ja.

We have a deal. Ik heb het opgeschreven, op papier. Gerecycleerd, hoop ik.

En ik zal op tijd zijn.

JK2202

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder