Villa Empain, Brussel, tot 19 maart 2027

Melancholie heeft een hekel aan marmer. En Villa Empain heeft niets anders. Zeker niet op een openingsavond. Woensdag 21 oktober stond de hal vol. Glazen tinkelden tegen het marmer, jassen werden over armen gedrapeerd, en in elke hoek stond wel iemand die je kende, of die je zou moeten kennen, of die verwachtte dat je hem kende. Het marmer glansde als honing, de smeedijzeren balustrade krulde in art-decobogen, de twee lantaarns van glas-in-lood gloeiden alsof ze een eigen zon in zich droegen. Het is een huis gebouwd voor een rijke erfgenaam, niet voor een schaduw. En het was gevuld met mensen die elkaar vooral kwamen bekijken. En toch hebben curatoren Louma Salamé en Noémie Goldman er een zwarte zon opgehangen.

Een tentoonstelling over eenzaamheid openen met een volle zaal: het is een paradox die Spilliaert zou hebben gewaardeerd. Hij hield van menigten, op voorwaarde dat hij ze van ver kon zien, vanaf de dijk, ‘s nachts, als ze allang naar huis waren.

De expo dankt zijn naam aan Gérard de Nerval, uit El Desdichado, het gedicht van de ontroostbare prins van Aquitanië wiens enige ster gedoofd is. Wie dat als motto kiest, weet wat hij doet: hij belooft geen tentoonstelling maar een gemoedstoestand. Salamé bracht hier in 2018 overigens al een expo met de titel Melancholia. Je zou kunnen zeggen dat de Boghossianstichting een vaste afspraak heeft met de droefheid, zoals sommige mensen elke donderdag naar dezelfde kapper gaan.

Een honderdtal werken, uitsluitend van Belgische kunstenaars, verspreid over 130 jaar. Centraal staat Léon Spilliaert, met een dertigtal werken op papier. Rondom hem een kring van tijdgenoten, vrienden en erfgenamen: Ensor, Permeke, Minne, Khnopff, Wouters, en verder in de tijd Tuymans, Borremans, De Cordier, Op de Beeck, Van Zeebroek. Het is een gesprek over generaties heen, en zoals bij elk goed gesprek valt vooral op wie zwijgt.

Léon Spilliaert, Zelfportret , 1907
Gewassen Oost-Indische inkt, penseel, kleurpotlood op papier

Het gezicht dat wegkijkt

Ik blijf hangen bij een zelfportret uit 1907. Spilliaert is zesentwintig. Hij tekent zichzelf in Oost-Indische inkt, aangelengd tot alle tinten van nat leisteen, op een papier dat de kleur heeft van oude ivoor. Het hoofd draait weg van ons, de schouder schuift als een donkere klif het beeld binnen. Het haar vlamt op in grijze toetsen, bijna gestolde rook. Maar het zijn de ogen die je niet loslaten, juist omdat ze er niet zijn. Waar ogen zouden moeten staan, gapen twee holtes van zuivere inkt. De blik is niet afgewend, hij is opgeslokt.

Datzelfde jaar schreef hij dat hij een wild, nerveus en opvliegend karakter had. Je gelooft het meteen. Dit is geen portret van een man, het is het portret van een stemming die zich een gezicht heeft geleend. De mond is samengeknepen, de kaak gespannen, het licht valt van boven als in een verhoorkamer. Hier poseert iemand die tegelijk de verdachte en de rechercheur is.

In andere zalen spiegelen anderen zich aan dat donker: Ensor, Wouters, en dichter bij ons Francis Alÿs, Rinus Van de Velde, Loïc Van Zeebroek en Sofie Muller. Het zelfportret wordt er een visitekaartje, schrijven de curatoren, een manier om zich als kunstenaar aan te bieden. Spilliaert overhandigt het zijne zonder ogen. Dat is ook een manier om te zeggen: kijk naar mij, maar vraag niet dat ik terugkijk.

KRSJT, Jusqu'à ce que la nuit te dise , 2026
© Silvia Cappellari - Textiel werk

Wol als getijde

En dan dat wandtapijt. In de hal, tussen de twee lichtende lantaarns, hangt Jusqu'à ce que la nuit te dise van KRSJT als een waterval die halverwege van gedachten is veranderd. Onderaan krult het tapijt over de marmeren vloer, alsof het geweven landschap nog even wil uitlopen in de echte wereld.

Het is een duizeling van structuur. Turkoois dat oplicht als een gletsjermeer, indigo en roestbruin in golvende lagen die eerder aan aardkorst dan aan zee doen denken, witte draden die neervallen als regen of als kalk die uit een grotwand druppelt. Van dichtbij wordt het een topografie van knopen en lussen; van op afstand een berglandschap uit een Chinese rol, vertaald naar Vlaamse wol.

De curatoren laten het in dialoog gaan met Spilliaerts La courbe de la Digue, en die verbinding is slimmer dan ze op het eerste gezicht lijkt. Spilliaert tekende de dijk van Oostende als één lange, onverbiddelijke lijn die in het niets verdwijnt. KRSJT doet het omgekeerde: geen lijn maar een sediment, tijd die zich laag op laag heeft opgestapeld. Waar Spilliaert de leegte tekent, weeft KRSJT de geologie die eronder ligt. Het is alsof iemand eindelijk de dijk heeft opengebroken om te zien waarop hij rust.

De zeeofficier zonder gezicht

Het werk dat mij het langst bijblijft, is een klein en bijna komisch beeld. Luc Tuymans maakte Zeeofficier in 1978, lang voor hij de schilder werd die we vandaag kennen, als eerbetoon aan Spilliaert. Een man in donkerblauw uniform buigt diep voorover op een lege zandvlakte. Eén mouw draagt een gouden streep, het enige teken van rang in een wereld zonder publiek. Zijn hand reikt naar iets in het zand dat we niet kunnen zien. Zijn hoofd verborgen onder een witte pet. Leeg, rond, onbeschreven.

Achter hem de zee in drie banden: een strook roze strand, een donkere golflijn met wit schuim, een groenachtige hemel die bovenaan vlekt alsof er water op het papier is gemorst. Het is een Spilliaert die door de wasmachine van de jaren zeventig is gegaan. De verlatenheid is gebleven, de dreiging is vervangen door iets absurds. De officier zoekt naar een verloren knoop, of naar zijn waardigheid, of naar zijn gezicht.

Zet dit naast het zelfportret van 1907 en het gesprek wordt hoorbaar. Spilliaert vulde zijn oogkassen met inkt. Tuymans haalt het hele gelaat weg en laat alleen het papier over. De ene verdrinkt zijn blik in duisternis, de andere wist hem uit met licht. Het zijn twee antwoorden op dezelfde vraag, gesteld aan dezelfde Noordzee: wat blijft er van een mens over als je hem lang genoeg aan de kustlijn laat staan?

Luc Tuymans, Zeeofficier , 1978
Gouache, aquarel en potlood op vloeipapier

Parfum en eenzaamheid

Er is nog een zaal die ik niet uit mijn hoofd krijg. De jonge Spilliaert was een ziekelijk kind, vaak bedlegerig door maagzweren. Zijn broze gezondheid hield hem tegen toen hij naar Congo wou vertrekken. Dus bleef hij thuis, en tekende wat er was: kamers, een piano, verspreide stoelen, dozen, en de parfumflesjes uit de winkel van zijn vader.

Ik vind dat een ontroerend beeld. Een jongen die de wereld niet in mag en dan de flacons van zijn vader begint te tekenen, alsof in elk flesje een reis zat die hij niet kon maken. Geuren die je niet ziet, vastgelegd door iemand die niet weg kon. De curatoren hangen er een citaat van Kierkegaard bij over Echo, de enige vriend die je je droefheid niet afneemt. Het is een beetje veel, zoals citaten in tentoonstellingen altijd een beetje veel zijn. Maar het klopt.

Elders ontdek je een andere Spilliaert, de schilder van naakten die zelden met hem worden geassocieerd, en de oude man die in 1935 Oostende verliet voor Elsene en daar bomen begon te tekenen. Ver van zee, aan de rand van het Zoniënwoud, ging zijn zwarte zon langzaam groen kleuren.

Wat blijft er van een zwarte zon

Bij het buitengaan was het druk op de trappen. Mensen namen afscheid met de hartelijkheid die je alleen op vernissages ziet, waar iedereen elkaar omhelst en niemand naar de kunst heeft gekeken. Het licht van de Franklin Rooseveltlaan viel weer gewoon op de stoep. Brussel zag er na deze tentoonstelling iets minder vanzelfsprekend uit. Dat is wat goede melancholie doet: ze maakt je niet droevig, ze maakt je opmerkzaam.

Soleil Noir is geen overzicht van Spilliaert. Daarvoor zijn er grotere zalen in Parijs en Londen geweest. Het is een salon waarin een oude meester zijn erfgenamen ontvangt, en waarin je mag afluisteren wat ze tegen elkaar zeggen. Soms praten ze langs elkaar heen. Soms, zoals bij KRSJT en Tuymans, maken ze een zin af die Spilliaert een eeuw geleden begon.

Nerval schreef dat zijn luit de zwarte zon van de melancholie droeg. In Villa Empain blijkt die zon vooral een spiegel te zijn. Je kijkt erin, en wat je ziet is een man op het strand die zich bukt, op zoek naar iets wat hij al lang verloren is. Je herkent hem. Je zou hem willen helpen zoeken.

Ik besef dat ik de werken die avond nauwelijks heb gezien. Ik zal moeten terugkomen, op een dinsdagochtend, als de zalen leger zijn. Pas dan zal Spilliaert spreken. Hij was nooit iemand voor recepties.

Soleil Noir - 22 oktober 2026 tot 19 maart 2027 - Dinsdag tot zondag, van 11 tot 18 uur
Villa Empain, Boghossianstichting, Franklin Rooseveltlaan 67, 1050 Brussel - www.villaempain.com


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder