De sculpturale wereld van Peter Rogiers

Wie het werk van Peter Rogiers voor het eerst ziet, herkent flarden van iets vertrouwds: een palmboom, een figuur, een object dat uit de populaire beeldcultuur lijkt te zijn weggelopen. Maar wie langer kijkt, merkt dat dit geen illustraties zijn van de werkelijkheid. Het zijn sculpturen die zich losmaken van hun bron en een eigen, gelaagde identiteit opeisen.

Van stripverhaal tot sculptuur

Rogiers (1967) begon als kind met het tekenen van stripverhalen. “Internet bestond niet, hedendaagse kunst kende ik niet. Wat er was, waren Suske en Wiske en B-films.” Die fascinatie voor subcultuur en populaire beeldtaal is nooit verdwenen.

Na zijn legerdienst en een technische job belandde hij aan Sint-Lucas in Brussel. Daar ontdekte hij Picasso, kunstgeschiedenis en modernisme. “Ik ben daar obsessief goed bezig geweest,” omschrijft hij deze periode.

De invloed van die twee werelden – stripverhaal en modernistische traditie – blijft voelbaar in zijn oeuvre. Niet om ironisch te recycleren, maar om te transformeren. “Ik neem een herkenbaar beeld en draai het zo dat het een eigen identiteit krijgt.” Palmbomen en motieven uit comics worden in zijn handen vervreemdend en weerbarstig. Hoewel zijn werk figuratief oogt, beschouwt Rogiers figuratie als een vorm van abstractie. Een arm is geen buis, een hoofd geen cirkel met twee stippen. Wie een figuur wil begrijpen, moet kijken naar vlakken, schaduwen en spanningen in de ruimte. Die manier van denken ligt aan de basis van zijn sculpturale praktijk.

Tekenen blijft daarbij essentieel. Een tekenaar projecteert driedimensionaliteit op een plat vlak; een beeldhouwer geeft die ruimtelijkheid opnieuw lichaam. Rogiers ervaart de wereld fundamenteel driedimensionaal. Die gevoeligheid vertaalt zich in beelden die nooit puur decoratief zijn, maar een spanning dragen tussen volume en leegte.

Dit interview verscheen reeds eerder in Beeldenmagazine 2026 #2

Betekenis als machine

Rogiers verzet zich tegen de eis dat kunst onmiddellijk “leesbaar” moet zijn. Hij verwijst daarbij naar Umberto Eco: kunst als “betekenis genererende machine”. “Een goed werk is gelaagd. Wat je vandaag ziet, moet morgen anders kunnen aanvoelen.”

Beeldhouwen is voor hem een traag medium. Werken groeien, worden hernomen, soms doormidden gezaagd en opnieuw geassembleerd. Oude beelden keren terug in nieuwe constellaties. Eerdere mislukkingen vormen materiaal voor nieuwe inspiratie.

“Je voelt die herneming,” zegt hij. “Elk beeld draagt zijn geschiedenis mee.” De vraag wanneer een werk af is, blijft relatief. “Soms kom ik terug in het atelier en begin ik opnieuw te sleutelen.” Zonder experiment, stelt hij, is het moeilijk iets te maken dat er echt uitspringt.”

Zijn werk bevindt zich in grote collecties waaronder het Middelheimmuseum en hij stelde tentoon in galeries in Brussel, Berlijn, Parijs en Los Angeles.
Zijn parcours oogt grillig, eerder als een reeks zijsprongen en experimenten. De afgelopen jaren nam hij bewust afstand van het zichtbaarheidscircuit. “Soms moet je even uitzoomen om er opnieuw in te vliegen. In zijn atelier in Oud-Heverlee staan ondertussen nieuwe werken klaar.

Onder de technische beheersing en ironie schuilt een humanistische kern. De kunstenaar verzet zich tegen een reductie van kunst tot politieke anekdote of economisch product. Zijn sculpturen ontlenen hun iconografie aan populaire beelden, maar transformeren die tot autonome objecten. Ze zijn herkenbaar en vreemd tegelijk. Ze vragen geen vluchtige blik, maar betrokkenheid.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder