Veertien vragen. Meer heeft u niet nodig om te bepalen of iemand geluk ervaart. Dat is althans de belofte van de SHAPS-schaal, een psychologisch meetinstrument uit de jaren negentig dat met de koele efficiëntie van een belastingformulier poogt te vatten wat filosofen eeuwenlang niet konden. Ja of nee. Veertienmaal. En dan weet u het.
Sven Rayen gebruikt deze schaal niet als programma maar als poëtisch anker: een lichte, bijna speelse greep op iets dat hem nauw aan het hart ligt. #SHAPS is de titel van zijn eerste solotentoonstelling bij Artodomo in Antwerpen, en de ironie is bewust en zachtaardig: de kunstenaar die vertrouwd is met anhedonie – het onvermogen geluk te ervaren – nummert zijn werken naar een gelukstest die hij nooit toepast. SHAPS 1. SHAPS 2. Een stille catalogus van vragen aan een wereld die het antwoord schuldig blijft.
Ik ontmoet hem samen met Thierry Vancraeymeersch, verzamelaar en galerist, in de exporuimte waar werken nog zoeken naar hun plaats. Nog niet opgehangen, nog niet gefixeerd in een narratief. Alsof ook deze tentoonstelling zich nog in een tussentoestand bevindt: niet langer potentie, nog net geen definitieve vorm. De flaneur staat voor de werken en denkt: hier is iemand die denkt in systemen en voelt in stilte.


Van lijn naar huid, en terug
Wie is Sven Rayen? Het is een bedrieglijk eenvoudige vraag, en zoals zo vaak bij kunstenaars begint het antwoord elders. In een middelbaar klaslokaal waar wiskunde geen vijand maar een taal blijkt te zijn. In een atelier in Hasselt, waar grafische technieken nog ambachtelijk worden aangeleerd – druktechnieken, etsen, houtsnede, airbrush.
Een jonge man die technieken verzamelt zoals anderen verzen: uit obsessie, uit dorst, uit het verlangen de materie te begrijpen door haar te bedwingen. Het parcours laat zich niet lineair lezen: illustratie, een kunstcollectief dat in de plooien van het internet verdwijnt als een zin die niemand afmaakte, een DIY-magazine waarin kunstenaars worden bevraagd en dan plots, bijna terloops, de huid.
Niet als breuk, maar als logische volgende stap.
Tatoeëren was aanvankelijk een fascinatie voor een techniek die hij nog niet beheerste. Maar zoals zo vaak bij kunstenaars blijkt net datgene wat als experiment begint, zich langzaam te nestelen als kernpraktijk. Rayen werd een van de pioniers van de single needle-tatoeage in Europa. Eén naald in plaats van de gebruikelijke bundel van zeven of meer, waardoor het resultaat fijner wordt, zachter, dichter bij de ademhaling van potlood op papier. De huid wordt papier, of probeert dat althans te zijn.
En toch is er een fundamenteel verschil. Waar het doek blijft, verdwijnt de tatoeage. Of beter gezegd: ze blijft, maar niet bij de maker. Ze wandelt weg, draagt een ander verhaal, wordt eigendom van iemand anders. “Het is de mensen hun verhaal,” zegt hij, en in die zin is tatoeëren een paradoxale kunstvorm: intens persoonlijk, maar nooit volledig van de kunstenaar. Een gedeeld auteurschap. Een vorm van vrijwillig verlies.
De terugkeer van het atelier
Het is verleidelijk om Rayens traject te lezen als een beweging van kunst naar toegepaste praktijk. Maar dat zou te eenvoudig zijn. Want ergens, onder de huid, bleef het atelier wachten.
De lockdown van 2020, die vreemde, lege stilte die over de stad viel als een langdurige pauze in een stuk dat niemand volledig kende, fungeert hier niet als breuk maar als terugkeer. Zeven jaar lang had het tatoeëren de ruimte ingenomen, van ’s ochtends tot ’s avonds, zeven dagen per week; Instagram versnelde de bekendheid, de bekendheid versnelde de agenda, de agenda verdreef het schilderen, geruisloos, zoals water een rivierbedding verlegt. Wat hij in de stilte hervindt, is geen nostalgie, maar een gemis. En dat gemis wordt productief.
De werken die dan ontstaan, bewegen zich weg van kleur, weg van anekdote. Ze zoeken naar reductie: grijs, wit, geometrie. Niet als stijl – een woord waar Rayen zich tegen verzet, want stijl impliceert herhaling zonder beweegreden – maar als methode. Als manier om complexiteit te condenseren tot haar essentie.
Geometrie, zegt hij, is een taal. Een manier om iets te zeggen zonder het letterlijk te benoemen. Die taal wordt voorbereid in 3D-software, waar licht en schaduw eerst digitaal worden getest, bijna klinisch, om vervolgens vertaald te worden naar het tastbare oppervlak van papier of doek. Via kleurpotlood, acryl, olieverf die hij nadien overschuurt tot een hybride huid van lagen. Het resultaat balanceert tussen controle en intuïtie, berekening en toeval. Alsof elk beeld eerst door een rationele filter moet, om daarna opnieuw open te breken.



SHAPS: meten wat niet meetbaar is
De figuren die in zijn werk verschijnen zijn eenvoudig, bijna abstract. Ze dragen iets. Buigen. Ze staan stil in zichzelf, zoals mensen doen op perrons, in wachtkamers, in de seconden vóór een beslissing. Er zit humor in, zegt Vancraeymeersch, en hij heeft gelijk: een droevig figuurtje en een grappig figuurtje zijn soms dezelfde geometrische constellatie, anders gerangschikt, als twee woorden die elkaars betekenis omdraaien door hun volgorde. Zoals woorden in een zin. Of noten in een partituur. Of … vragen in een test die pretendeert geluk te kunnen vatten.
Rayen spreekt bijna terloops over anhedonie, alsof het een technische eigenschap is eerder dan een bekentenis. De SHAPS-test wordt geen instrument maar een kader: een manier om het ongrijpbare toch een vorm te geven. Elk werk een variatie, een poging, een nummer in een reeks die nooit volledig zal zijn. Er zit iets bijna ironisch in die keuze, de absurditeit van het meten van een gevoel, en tegelijk de onmogelijkheid er niet mee door te gaan.
De blik van de ander
Waar Rayen spreekt vanuit de praktijk, biedt Vancraeymeersch het perspectief van de verzamelaar die ook kijker is, en kijker die ook vriend is geworden. Hun ontmoeting begon niet in de kunstwereld maar in een persoonlijk gebaar. Een verjaardagscadeau voor zijn vrouw Karin een tatoeage van een kind met een vliegend boekje.
Het is een mooi beginpunt, omdat het precies toont waar Rayens kracht ligt: in het vermogen om het particuliere te vertalen naar een beeld dat blijft kleven. Vancraeymeersch herkent er iets in wat moeilijk te benoemen is maar onmiddellijk voelbaar: de lichtval, de gradaties, de manier waarop vormen bijna driedimensioneel worden zonder het expliciet te zijn.
De invloeden zijn er. Spilliaert met zijn mystiek en intieme duisternis, Morandi met zijn obsessieve herhaling en subtiele variatie, Blinky Palermo als figuur eerder dan als directe referentie, Luc Tuymans met dat vlakke contrast en het bijna-realistische beeld dat een opening laat langs dewelke de toeschouwer zelf naar binnen moet stappen. Het zijn geen citaten, maar echo’s. Wat Vancraeymeersch uiteindelijk overtuigde om Rayen naar de galerij te brengen, was niet dat het werk paste binnen een bestaande categorie. Maar dat het zich eraan onttrekt.
De flaneur verlaat de ruimte en denkt aan die veertien vragen.
Ervaart u plezier in de dingen die u vroeger aangenaam vond? Voelt u enthousiasme? Zin? Verwachting?
Sven Rayen antwoordt met schilderijen. Met polygonen die mensen worden. Een naam die geluk meet en werk dat de maat van geluk weigert te zijn. Met een schaal die hij niet gebruikt maar wel draagt, zoals de meeste mensen hun onvermogen dragen: stilzwijgend, hardnekkig, omgezet in iets dat anderen kunnen zien en misschien, heel even, voelen.
Want dat is misschien het meest treffende aan SHAPS: het is geen tentoonstelling over anhedonie. Het is een tentoonstelling die ondanks anhedonie bestaat. Die fluistert dat de productie van schoonheid niet afhankelijk is van het vermogen haar te ervaren. Dat de hand tekent, ook als het hart niet antwoordt.
Veertien vragen. En dan weet u het.
Of misschien toch niet.
#SHAPS, solotentoonstelling van Sven Rayen van 26 april tot 31 mei
Vernissage: 26 april van 14 tot 17u
Artodomo, Minderbroedersrui 44, 2000 Antwerpen
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
