Over blockbusters, badkuipen met bloemen en de dood van het kijken


Er bestaat een tentoonstelling in deze wereld – u heeft ze gezien, u heeft er misschien zelfs in gestaan – die niet gemaakt is om bekeken te worden. Ze is gemaakt om gefotografeerd te worden. Het onderscheid lijkt klein. Het is echter immens.

U herkent ze aan de wachtrij. Niet de bescheiden rij voor een museumkassa, maar de kronkelende, zelfvoldane wachtrij die al een statement is voor men binnen kan. Men staat er trots in. Men fotografeert de wachtrij zelf, als bewijs van aanwezigheid, als proloog van het verhaal dat straks op Instagram verschijnt. De wachtrij is al tevreden.

Binnen is het ingericht naar de wet van het beeld. Elke zaal heeft een moment. Een wand in een kleur die niemand thuis heeft maar iedereen mooi vindt op een scherm. Een installatie met spiegels die de bezoeker vermenigvuldigt tot in het oneindige, wat diep klinkt maar vooral betekent dat men zichzelf ziet en dat prettig vindt. Een badkuip vol kunstbloemen. Een kamer vol ballonnen. Een neonlichttekst met een spreuk die tegelijk ironisch en oprecht is, want zo vermijdt men elke discussie over betekenis.

Men noemt dit immersief.

Immersief betekent: u staat erin. U bent omringd. Het werk laat u geen keuze dan aanwezig te zijn, wat klinkt als een radicale ervaring maar in de praktijk betekent dat u in een rij staat voor een badkuip met bloemen en dat u uw telefoon omhoog houdt.
Ik heb een vrouw gezien – echt gezien, in een echte tentoonstelling – die veertig minuten in een zaal doorbracht. Ik telde. Veertig minuten, in een ruimte met één werk. Een groot, ademend, stil werk dat iets vroeg van wie ernaar keek. Ze fotografeerde het vanuit zeven hoeken. Stuurde foto’s door naar iemand. Wachtte op een reactie. Fotografeerde opnieuw. Vertrok zonder het werk ooit echt te hebben bekeken. Ik weet dit omdat haar ogen nooit van het scherm kwamen. Het werk had voor haar evengoed een afbeelding kunnen zijn op haar telefoon.

De blockbuster paradox

Dat is de paradox van de blockbuster-expo. Men verplaatst zich, men betaalt, men staat in de rij, men is er fysiek aanwezig en toch blijft men volledig buiten. De telefoon vormt de buffer tussen het werk en de bezoeker. Een bescherming tegen de ongemakkelijke mogelijkheid dat kunst iets doet. Dat het schuurt. Dat het een vraag stelt waarvoor men geen caption heeft.
Want een caption hoort er bij. Een foto zonder caption is een beleving die niet heeft plaatsgevonden. “Vandaag bij [naam van de tentoonstelling] 🎨✨” is het minimum.

Beter is eenreflectie die suggereert zonder te veel te vragen: “Kunst die je doet nadenken.” Waarover? Dat laat men open. De openheid zelf is de diepgang.
Musea weten dit en doen er actief aan mee, wat ik ze niet eens volledig kwalijk neem. Een instagrammable tentoonstelling trekt bezoekers. Bezoekers genereren inkomsten. Inkomsten financieren de andere, stillere, moeilijkere tentoonstellingen die niemand fotografeert maar die er wel moeten zijn. De badkuip met bloemen betaalt de Cy Twombly-retrospectieve. Dat is een duivels maar geen onbegrijpelijk pact.

Democratie van de badkuip

Wat ik minder begrijp is de intellectuele kapitulatie die ermee gepaard gaat. De tentoonstellingsteksten die schrijven over “activeren” en “participeren” en “de bezoeker centraal stellen” terwijl men eigenlijk bedoelt: we hebben een decor gebouwd voor uw zelfportret. De curatoren die in interviews spreken over “democratisering van de kunstbeleving” terwijl ze een fotostudio hebben ingericht met een toegangsprijs van achttien euro. De democratie van de badkuip.
En de kunstenaars dan? Sommigen verzetten zich, morrend of luidop. Anderen omarmen het met een schouderophalen dat eruitziet als ironie maar soms gewoon opportunisme is. Want ook de kunstenaar heeft een Instagram. Ook de kunstenaar wil gezien worden. En een werk dat viraal gaat, hoe leeg ook, doet meer voor een carrière dan tien jaar stille kwaliteit in de juiste galerie.

Foto als verlengstuk

Ik wil de selfie niet verbieden, want ben niet naïef genoeg om te denken dat de foto per definitie de beleving uitsluit. Ik heb mensen aandachtig zien fotograferen, als een manier van kijken die vastlegde wat hen raakte. De foto als verlengstuk van het oog, niet als vervanging ervan.
Maar dat is de uitzondering. In de blockbuster-expo is de hiërarchie omgekeerd. Het werk bestaat omwille van de foto. Niet de foto omwille van het werk. Men bouwt tentoonstellingen achterwaarts, vanuit de vraag wat mooi staat op een scherm, en vult die achteraf in met betekenis die er niet was bij de conceptie.
Het resultaat is een merkwaardige leegte. Een zaal vol mensen en lawaai en licht en kleur, en toch het gevoel dat er niemand echt aanwezig is. Dat iedereen tegelijk hier en ergens anders is. Dat de tentoonstelling al voorbij is voor ze begonnen is, want ze bestaat al op duizend telefoons voor men naar buiten loopt.
Buiten staat de volgende wachtrij. Men schuifelt naar voren. Men houdt de telefoon klaar. Ergens in een zaal wacht een badkuip met bloemen op zijn close-up. Het werk heeft er vrede mee. Het heeft geen keuze.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder