In deze reeks richt ik me in briefvorm tot een denkbeeldige jonge kunstliefhebber. Niet als leermeester, maar als medereiziger die zijn verwondering en twijfel deelt. Wat volgt zijn geen lessen, wel persoonlijke mijmeringen, herinneringen en ontmoetingen met kunst. Ik schrijf deze brieven om stil te staan, om ruimte te maken voor het trage kijken en het aarzelende denken. Misschien vind je er geen antwoorden, maar wel sporen van hoe kunst ons kan begeleiden in het leven – als uitnodiging tot aandacht, ontvankelijkheid en verwondering.

De brieven verschijnen elke eerste woensdag van de maand.

Per artem spatior, ut ipse me inveniam. – Kunstflaneur


Beste jonge kunstliefhebber,

Misschien heb je het gelezen, ergens tussen een veilingresultaat en een Instagram-post over “emerging talent”: in Wallonië wordt Latijn opnieuw verplicht. Het nieuws kwam binnen met lichte vertraging, zoals dat gaat met zaken die niemand dringend vindt, maar die toch iets blootleggen. Latijn. Alsof iemand in het onderwijsarchief een vergeelde map heeft teruggevonden en dacht: tiens, laten we dit nog eens proberen.

De reacties waren voorspelbaar. Wat moeten jongeren vandaag met een dode taal? Wat levert dat op? En vooral: wat heeft dat met de toekomst te maken?

Laat me het antwoord alvast verklappen: alles.

Latijn is geen taal. Het is een methode. En precies daarom duikt het steeds opnieuw op wanneer samenlevingen nerveus worden over originaliteit, vooruitgang en identiteit. Niet toevallig werd het jarenlang verdedigd – soms met iets te veel animo – door Bart De Wever, die Latijn niet alleen sprak als studieobject, maar ook als cultureel statement. Latijn als bewijs van continuïteit en ondertoon van ernst. Latijn als stille manier om te zeggen: ik weet waar ik vandaan kom.

Maar laat ons het politieke theater even parkeren. Wat mij interesseert, is wat dit alles jou kan leren als verzamelaar.

Je leeft in een wereld waarin je voortdurend te horen krijgt dat alles al eens gedaan is. Dat elke stijl geciteerd is, elk gebaar herhaald, elke radicaliteit ingelijfd en herverpakt. De kunstmarkt heeft daar zelfs een merkwaardig talent voor: ze verkoopt het “nieuwe” vaak het best wanneer het verdacht veel lijkt op iets dat je al kent, maar net anders genoeg om geruststellend te zijn.

De klassieke oudheid had voor dat probleem een elegant antwoord. Geen ontkenning, geen paniek, geen geforceerde drang naar originaliteit. Wel een drieslag: translatio, imitatio, aemulatio.

Translatio is het begin. Overbrengen. Verplaatsen. Betekenis laten migreren van de ene context naar de andere. Zoals een Latijnse tekst ooit Grieks dacht, en later in Franse, Nederlandse of Italiaanse zinnen opnieuw tot leven kwam. Voor jou als verzamelaar betekent dat: leren kijken naar hoe een werk zich verhoudt tot wat eraan voorafging. Niet: is dit nieuw? maar: wat wordt hier verplaatst? Welke ideeën, vormen of houdingen worden opnieuw ingezet, herschikt, vertaald?

Daarna komt imitatio. Een woord dat tegenwoordig spijtig genoeg bijna uitsluitend als verwijt wordt gebruikt. Imitatie klinkt als gebrek aan lef. Als afhankelijkheid. Maar in de klassieke betekenis was het een noodzakelijke fase. Je leert door na te doen. Door te begrijpen hoe iets werkt vóór je denkt dat je het kunt overstijgen.

Ook kunstenaars doen dat, al zeggen ze het zelden luidop. Ze kijken, herhalen en oefenen. Ze maken werk dat lijkt op ander werk, tot ze begrijpen waarom het ene overeind blijft en het andere verdwijnt. Als verzamelaar is het nuttig dat te herkennen. Niet om werk af te wijzen omdat het “ergens aan doet denken”, maar om te zien waaraan en waarom.

En dan, pas dan, komt aemulatio. Wedijver. Niet in de zin van competitie, maar van ambitie. Het moment waarop iemand zegt: ik heb het gezien, begrepen, geabsorbeerd en nu ga ik verder. Niet door alles wat voorafging te ontkennen, maar door het onder druk te zetten.

Veel kunst die vandaag de term ‘radicaal’ krijgt, is dat niet omdat ze het verleden negeert, maar omdat ze het durft te confronteren. Aemulatio vraagt moed. En kennis. Zonder die twee blijft alleen effect over.

Misschien is dat de ware ironie van het Latijns debat. Men lacht met een dode taal, maar vergeet dat precies die taal eeuwenlang een levend instrument was om te leren denken in relatie tot wat al bestond. Niet om het te kopiëren, maar om het te begrijpen. En uiteindelijk: om het te overstijgen.

Als verzamelaar zou je datzelfde pad kunnen volgen. Niet jagen op het nieuwe om het nieuwe. Niet verzamelen alsof je een trendrapport afvinkt. Maar kijken met historisch bewustzijn. Met geduld. Met de bereidheid om te erkennen dat alles al eens gedaan is en dat precies daarin de ruimte ligt om iets echt te zien.

Alles is al ooit gedaan, beste jonge kunstverzamelaar. Maar nog niet door jou. En zeker niet met jouw blik, jouw vragen en jouw twijfels. Blijf dus kijken. Vertalen. Imitëren. Wedijveren. En wees vooral niet bang voor wat ouder is dan jij.

Salutem plurimam dicere

kunstflaneur


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder