Je komt niet zomaar in Estaminet In Den Bouw in Laarne. Je rijdt – of beter – je dwaalt ernaartoe. Waze stuurt je langs veldwegen die stilaan voelen alsof je in een parallelle provincie terechtkomt, een plek waar gps-signalen je van a naar b brengen, maar niet zonder eerst andere letters te passeren. Het is een van die zeldzame locaties waar je mensen ziet rondlopen die niet op hun scherm kijken maar naar het landschap, alsof ze zoeken naar een verleden dat langzaam oplost.
Dat is precies waar Beppe Geerts thuiskomt. Zij kiest niet voor de rechte lijn, maar voor het omwegprincipe. Op een regenachtige dag fietst ze naar de exporuimte, slalommend tussen slakken die het glimmende asfalt bezetten. Het is een detail dat je zelf makkelijk zou missen, maar bij haar wordt zo’n moment het begin van een beeld, een katalysator van aandacht. En misschien is dit wel de beste manier om haar werk binnen te stappen: via omwegen, via het onverwachte, via dat dunne spoor tussen kijken en opmerken.


Hoe zou je jezelf omschrijven als je een soort kunstenaars-date-profiel moest maken: één kernbeeld, één drijfveer en één onverwacht detail?
Ik denk dat ik mezelf vooral zou omschrijven als iemand met een grote zorgzaamheid, een liefde voor het alledaagse, voor natuur en voor nostalgie. Ik ben iemand die zich kan verliezen in details. In kleine krulletjes, structuren, herhalingen. Als ik werk, kom ik in een soort meditatieve staat terecht waarin tijd verdwijnt en de omgeving oplost. Dat onverwachte zit misschien in het feit dat ik me vaak aangetrokken voel tot dingen die zo vanzelfsprekend zijn dat ze doorgaans over het hoofd worden gezien. Dat zoeken naar betekenis in het banale is voor mij een soort motor. En die Vlaamse psyche, die terughoudendheid en tegelijk grote geladenheid, die blijft terugkomen in mijn praktijk.
In je werk keren rolluiken, muren, grenslijnen terug als een soort alfabet. Waar is dat eerste ‘teken’ ontstaan?
Het eerste beeld was een oranje bakstenen wachtgevel, met een verlengde muur in verschillende hoogtes. Dat ontstond eigenlijk uit een idee dat voorafging aan mijn huidige reeks: ik wilde een levensgroot Vlaams doolhof maken van hekken en hagen. Een plek waar mensen zich letterlijk doorheen moesten bewegen, botsend op afsluitingen tot er een opgesloten gevoel van ontstond. Die muur werd mijn eerste letter, zeg maar. En van daaruit is er een heel visueel vocabularium gegroeid.
Kan je één werk uit de tentoonstelling uitlichten en ons meenemen in het proces?
Voor deze expo kies ik ‘Onderweg’ het werk dat ontstond tijdens mijn eerste fietstocht naar In Den Bouw. Het regende onderweg, er lagen slakken op het asfalt, en ik merkte dat ik automatisch begon te slalommen omdat hun huisjes zo broos zijn. Ik ben even gestopt omdat het beeld me raakte: de natte weg, het donkergrijze asfalt, de witte spiralen van de slakkenhuizen. Het voelde bijna symbolisch, maar vooral heel grafisch interessant. Ik maakte een kleine schets ter plekke. Daarna begon ik in mijn atelier slakken te tekenen op dik papier, met oliepastel en kleurpotlood. Ik sneed ze uit, bijna als kleine personages. Voor de ondergrond dook ik in mijn archief van mijn “lagen van het landschap” en testte ik verschillende asfaltstructuren. Uiteindelijk koos ik voor MDF, dat ik eerst volledig zwart maakte, waarna ik cirkels en structuren aanbracht met oliepastel. Het werk is traag gegroeid, laag per laag. Af was het voor mij toen de spanning juist zat: het fragiele tegenover het massieve, het zachte tegenover het obstinate van asfalt.

Je werk balanceert tussen alledaagsheid en onderhuidse spanning. Hoe bouw je die spanning op zonder ze letterlijk te tonen?
Voor mij ligt die spanning in compositie: een landschap dat verticaal staat in plaats van horizontaal, onverwachte kadreringen, complementaire kleuren zoals donkergroen tegen fel baksteenoranje. Ik ben me daar niet altijd rationeel van bewust tijdens het creatieproces. Het is eigen aan mijn manier van opbouwen. De alledaagsheid is een aanleiding, maar in de manier waarop ik het beeld plaats, ontstaat automatisch iets dat schuurt. Het hoeven geen grote dramatische gebaren te zijn. De spanning zit in het kleine.
De titel There where the blinds are closed suggereert iets dat verborgen blijft. Wat betekent dat afgesloten rolluik voor jou?
De titel verwijst expliciet naar Vlaanderen, “there” als gebied, als mentaliteit. Het gesloten rolluik is voor mij het symbool van mensen buitenhouden, van een gesloten houding tegenover elkaar. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Het is geen harde aanklacht, maar wel een observatie: dat we geneigd zijn om dingen af te schermen, emotioneel en sociaal. Het fascineert me dat je in andere culturen sneller wordt binnengelaten, zowel letterlijk als figuurlijk. Hier duurt dat veel langer. Soms maanden, zelfs een jaar, voor iemand je in zijn thuis laat. Dat zegt iets over wie we zijn.
Verwijs je daarmee naar de periodes in Los Angeles en in Italië? Hoe hebben die plekken dat bewustzijn getekend?
Los Angeles was een totaal ander landschap en een heel andere manier van omgaan met privacy. Ze hebben ook hun geslotenheid, maar die uit zich niet via muren en rolluiken. Tijdens de lockdown liep ik daar rond in lege straten, en dat versterkte het gevoel van buitenstaander zijn. Daarna woonde ik een half jaar in Italië, in een warmere, meer open cultuur. De gesprekken, relaties, dagelijkse omgang met elkaar. Dat alles voelde letterlijk meer ontvankelijk. Toen ik terug naar België kwam, botste ik eerst tegen die hekken en hagen, en daarna tegen de mentale versies ervan. Daardoor is dat hele thema sterker in mijn praktijk geslopen.
Je observeert niet alleen, maar je catalogeert ook. Hoe verhouden die twee zich tot elkaar?
Ik bouw een soort eigen archief op van landschapselementen: stukjes muur, stukken gevel, kleuren, structuren. Dat archief groeit voortdurend en het is mijn inspiratiebank. Ik werk er heel tastbaar mee. Ik leg elementen naast elkaar, kijk hoe kleuren reageren, hoe vormen zich verhouden. Het zijn puzzelstukken die deel worden van grotere composities. Ik vind het fijn om niet altijd het internet te moeten opzoeken, maar in mijn eigen archief te kunnen grasduinen. Het is alsof ik door een landschap blader dat ik zelf al eens uit elkaar heb gehaald.
Is het moeilijk wanneer zo’n element “verdwijnt” omdat een werk verkocht wordt?
Ja en nee. Ik hou veel basisstukken bij, en ik maak voortdurend nieuwe mogelijkheden aan. Het archief blijft bestaan, al verandert het. Dat is net het boeiende eraan.
In Den Bouw is geen klassieke white cube. Wat doet zo’n hybride ruimte met je werk?
Deze plek is fantastisch. De nostalgische elementen, de gebruiksvoorwerpen, het feit dat Michael Borremans hier zijn eerste solotentoonstelling had, … Al deze elementen zorgen voor een extra gelaagdheid. Het is een ruimte met een geschiedenis die “meewerkt” met de werken. Ze worden er niet klinisch getoond, maar ingebed in een context die zelf al verhalen draagt. Dat vind ik heel mooi, zeker omdat nostalgie in mijn werk een fluisterende aanwezigheid is.

Zijn er kunstenaars of schrijvers met wie je een stille dialoog voert?
Joseph Willaert zeker. Toen ik zijn tentoonstelling in Oostende zag, schrok ik van hoe herkenbaar zijn manier van kijken aanvoelde. Die geslotenheid van het Vlaamse landschap, dat psychische isolement, dat raakte me. Soms zie je werk dat bijna voelt alsof je het zelf had kunnen maken, zonder dat je ooit wist dat het bestond. Dat soort herkenning is bijzonder. Ook kunstenaars zoals Filip Dujardin delen mijn artistieke visie. Het gaat niet om invloed, maar om een gedeelde gevoeligheid.
Als je vooruitkijkt: waar zie je jezelf over tien jaar?
Ik hoop dan minstens één boek te hebben gepubliceerd. Liefst meerdere. (lacht) Publicaties en beeld vloeien voor mij heel natuurlijk samen, omdat ik grafisch ontwerp en illustratie heb gestudeerd. Ik wil de komende jaren verder experimenteren in nieuwe media: meer sculpturaal werk, meer tactiele structuren. En ruimtelijke installaties blijven me boeien. De thematiek waar ik nu mee werk zal blijven, maar ik sluit nieuwe invalshoeken zeker niet uit. Een vaste galerie zou mooi zijn. En residenties wil ik blijven doen. Weggaan en terugkeren voedt mijn praktijk.
Tot slot: welke kunstenaar, levend of overleden, zou je graag één vraag stellen?
Toch Joseph Willaert. Ik zou hem willen vragen of hij datzelfde Vlaamse gevoel van geslotenheid ervaart, die mentale en fysieke grenzen die ik telkens weer tegenkom in het landschap. Zijn werk voelt voor mij als een soort parallel universum.
Wanneer je In Den Bouw weer verlaat, merk je pas hoe snel de buitenwereld terug alledaags probeert te worden. De gps grijpt opnieuw de controle, de weg wordt weer rechtlijnig. Maar iets van binnen weigert meteen mee te bewegen. Alsof het landschap dat je net zag – de slakkensporen, de muren, de rolluiken, de stille catalogus van het alledaagse – zich heeft vastgezet achter je oogleden.
Beppe Geerts laat niets ontploffen. Ze is een oude ziel die fluistert. Maar het is precies dat fluisteren dat blijft hangen, als een zacht verzet tegen achteloos kijken. Misschien is dat haar grootste kracht: ze leert je zien wat je al die tijd al passeerde. En ergens tussen hier en daar, tussen scherm en grasrand, tussen rolluik en horizon, besef je dat je zelf ook een beetje trager kijkt. En dat dat genoeg is.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
