Het is een van die zinnetjes die als een onzichtbaar refrein door een tentoonstelling kan zweven. Je hoort het niet één keer, maar telkens opnieuw, alsof de muren van het museum er zelf plezier in hebben om de woorden terug te kaatsen: ‘Wat zie jij erin?’

Meestal volgt er een stilte. Geen majestueuze stilte, zoals die van een Rothko-zaal, maar een licht ongemakkelijke, gevuld met gefrons en schuifelende voeten. En dan komt het antwoord, aarzelend, alsof iemand gevraagd werd om in een kamer vol critici zijn diepste geheimen te onthullen. “Euhm… ik zie er… chaos in. Of nee, wacht, misschien eerder… hoop?”

Het is op dat moment dat ik altijd moet glimlachen. Want er is iets heerlijk ontwapenends aan die vraag. Het is tegelijk het meest banale én het meest filosofische wat je kan zeggen over kunst. Het vraagt je niet naar techniek, naar de biografie van de kunstenaar of naar de kunsthistorische context. Nee, het vraagt: ‘En jij, met al je bagage, je angsten, je herinneringen, je koppigheid, wat zie jíj erin?’

Het leuke is dat het antwoord nooit echt over het kunstwerk gaat. Wanneer iemand zegt: “Ik zie er chaos in”, dan gaat het zelden over de compositie van lijnen en vlakken. Het gaat over de keuken die net verbouwd wordt, over de puberende dochter die het huis op stelten zet, of over de mailbox die je dagelijks als een tsunami overspoelt. Kunst wordt dan een spiegel, maar een spiegel die je niet flatterend terugkaatst, een kermisspiegel waarin je net wat schever en eerlijker in verschijnt.

Soms is het ook een excuus om niks te hoeven zeggen. ‘Wat zie jij erin?’ is de kunstwereldversie van ‘En, hoe gaat het met de kinderen?’ Het vult de leegte. Het creëert een kleine bubbel van conversatie waarin niemand zich hoeft bloot te geven. Je kan gewoon wijzen naar een schilderij met drie rode strepen en zeggen: “Wel, ik zie er passie in.” Waarop de ander knikt alsof er net een diepzinnige openbaring heeft plaatsgevonden, terwijl jullie allebei vooral aan het glaasje achteraf denken.

Maar stel je voor dat we de vraag eens anders zouden aanpakken. Dat we in plaats van te zoeken naar een sluitend antwoord, gewoon er plezier in zouden scheppen om compleet verkeerde dingen te zien. Voor het ene doek: “Ik zie er mijn kat in, maar dan op vakantie in Benidorm.” Voor de installatie met hangende stenen: “Ik zie er mijn moeder in, ze balanceert al jaren zo.” Plots is het museum geen tempel meer waar je braaf fluistert, maar een speeltuin waar verbeelding en speelse anarchie vrij spel krijgen.

En misschien is dat precies wat kunstenaars willen. Niet dat we het juist zien, maar dat we onszelf verliezen in het spel van betekenissen. Dat we vergeten dat kijken ook een vorm van verzinnen is. Dat wat jij erin ziet net zoveel zegt over jou als over het doek.

Dus de volgende keer dat je in een zaal staat en iemand vraagt: ‘Wat zie jij erin?’ wees gerust. Het juiste antwoord bestaat niet. Zeg gerust: “Een koelkast die dringend moet ontdooid worden.” Of: “Een herinnering aan mijn eerste kus, al ruikt die hier eerder naar vernis.” De kunst kan het hebben. En jij en je gezelschap misschien ook.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder