Misschien geen woorden die je van een kunstflaneur verwacht. Dus … laat ik het scherp stellen, messcherp zelfs: er is vandaag teveel kunst. Een overvloed. Een inflatie. Een tsunami van installaties, performances, panelen, pixels en pretenties. En aan al wie nu al defensief opveert: nee, dit is geen pleidooi tegen schoonheid. Er kan nooit teveel schoonheid zijn. Schoonheid is zeldzaam, stil en ongrijpbaar. Maar kunst… kunst is een product geworden. Een markt. Een loopband. En we zitten er met z’n allen in als gansjes in een foie gras-industrie van indrukken.
Laten we er eens een economische wet bij halen – dat schrikwekkende terrein waar kunstenaars zelden komen. De eerste wet van Gossen, om precies te zijn. Formeel: het grensnut van een goed neemt af naarmate men er meer van consumeert. Anders gezegd: de eerste aardbei op een warme junidag is pure extase. De tiende doet je naar water snakken. De twintigste maakt je misselijk. En bij de dertigste vraag je je af of je ooit aardbeien lekker vond.
Geldt dat ook voor kunst? Absoluut. De eerste confrontatie met een meesterwerk – een schilderij dat je adem doet haperen, een dans die het lichaam van de zwaartekracht verlost – is onbetaalbaar. Maar na het vijfde galerijbezoek op één dag, de tiende mail over een opkomende kunstenaar, de zoveelste ‘immersieve’ expo met licht en projectie… is dit grensnut gezakt tot onder het vriespunt. We voelen minder. Onthouden niets meer en haken af.
We zitten gevangen in een systeem waarin kunstproductie het doel is geworden, niet het gevolg. Iedereen is kunstenaar, iedereen exposeert, iedereen creëert. Want dat is expressie, nietwaar? En expressie mag niet begrensd worden. Of toch? Want net zoals een economie ten onder gaat aan overproductie, zo raakt ook het kunstlandschap verstopt. De wet van Gossen is onverbiddelijk: te veel aanbod reduceert de waarde van elke individuele ervaring.
We moeten durven zeggen dat niet alles kunst moet zijn. Dat niet elke penseelstreek, performance of podcast in een witruimte thuishoort. Dat kunstenaars ook de ruimte mogen nemen om niet te maken. Om te kijken. Om te zwijgen. En … om weer contact te maken met wat wezenlijk is, voor ze weer de wereld bestoken met betekenis.
Misschien hebben we ook curatoren nodig die de moed hebben om niets te tonen. Een lege ruimte. Eén werk. Stilte. Want in een wereld waar elke muur volhangt, wordt het lege doek radicaal. Is dit elitair? Integendeel. Het is een pleidooi voor herwaardering. Voor traagheid. Voor het opnieuw leren zien. We moeten opnieuw leren verlangen naar kunst, in plaats van haar dagelijks op ons bord te krijgen, lauw en smaakloos als fastfood.
En schoonheid dan? Die ontsnapt aan elke wet, ook die van Gossen. Schoonheid zit in een onverwachte lichtinval, een lied dat je uit het niets raakt, de blik van een vreemdeling. Ze zijn gratis, ongevraagd, en niet door mensenhanden te vangen. Kunst probeert haar te vatten, maar slaagt daar zelden in. En juist daarom moeten we haar minder vaak proberen te maken. Om haar kans te geven te verschijnen.
Dus ja, er is teveel kunst. Teveel van het goede is het begin van het banale. En het banale, dat is wat de echte schoonheid verstikt.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Sterk artikel Yves!
Volkomen mee eens
Hartelijke groet,
Niqui
Daar ben ik blij om
Inderdaad! Bovendien worden we op onze schermen zo overspoeld met beelden — van dilettanten en (dilettante) meesters — dat het is of we drinken van een brandkraan.