Een gesprek met Anouk Van de Wal over intuïtie, laagwerk en de palliatieve zorg van een bloem in een vaas

Bij sommige kunstinterviews verlaat je de galerie met meer vragen dan je had meegebracht – en dat is een compliment. Anouk Van de Wal praat over haar werk terwijl de werken zelf aanwezig zijn, hangend in de voormalige garageruimte die DEUSS Gallery ELSEWHERE voor dit weekend heeft ingenomen. Gelaagd, zorgvuldig belicht, doordrongen van materialen die al ergens anders geweest zijn. Stoffen die ooit een kledingcollectie waren. Boeken die ooit van een vader waren. Bloemen die al dood zijn voor ze gefotografeerd worden.

Bijna een jaar geleden maakte ik voor het eerst kennis met haar werk – een ontmoeting die, zoals de beste kunstontmoetingen, niet losraakte. Nu toont ze haar nieuwe reeks in Holding the Gaze, de tentoonstelling waarmee DEUSS Gallery ELSEWHERE haar deuren opent voor Antwerp Art Weekend 2026. Naast Thibeau Scarceriaux, Karel Fonteyne en Wing Shya toont Van de Wal werk dat vertrekt vanuit een eenvoudige maar veeleisende vraag: wat doet een beeld met je als je er langer naar kijkt dan de wereld van je vraagt?

Staande voor haar werken spraken we over intuïtie als werkwijze, over de spanning tussen controle en toeval, over Gainsbourg en Gone with the Wind en een tulp als filosofisch object. En over een vaas water die misschien het eerlijkste ding is dat je iemand kunt geven.

Je nieuwe reeks vertrekt vanuit stoffen – restanten van de laatste handcollectie van Dries van Noten. Hoe ben je bij dat materiaal geraakt?

Ik werk altijd in lagen, en op een gegeven moment wou ik evolueren naar een ander soort materiaal. Tot dan had ik voornamelijk met papier of gevelstenen gewerkt. Dries van Noten stopte dat seizoen, en ik ben naar die stokverkoop gegaan en heb stoffen gekocht van zijn laatste collectie. Close-ups, goed belicht in de studio, een beetje opgespannen – niet te veel, zodat je nog de beweging voelt, maar zonder dat het echt begint te golven. Dit werk heet I Like The Way You Move. De naam zegt het al.

Voor Dries van Noten is die stof een afgewerkt product. Wat is het voor jou?

Zowel afgewerkt als niet. Voor hem is het een eindpunt – er moet nog een kledingstuk van gemaakt worden, dat wel. Maar het is al een ding op zich. Ik gebruik het in mijn beeld ook als afgewerkt product, en tegelijk is het dat niet, want ik wil die fluïditeit meenemen. De textuur, de structuur, de print. Ik haal veel kleur eruit, waardoor het bijna een tekening wordt – heel fijne lijnen, en die beweging versterkt dat. Lagen op lagen. In dit geval ook nog een laag van een gevelsteen.

Er is iets mooi tegenstrijdigs aan die keuze: het meest tijdgebonden materiaal – mode – wordt de basis voor iets dat wil blijven.

Dat heb ik zo niet bewust bedacht, maar je hebt gelijk. Vanuit hetzelfde basismateriaal maakt Dries er een kledingstuk van, ik een foto. Twee eindpunten die vertrekken van hetzelfde weefsel. Dat vind ik eigenlijk heel mooi dat je het zo ziet.

In dezelfde reeks zijn bloemen als centraal motief opgedoken. In de kunstgeschiedenis en zeker in de fotografie zijn bloemen zo beladen dat het bijna een val is.

Precies. Elke kunstenaar van de oude meesters tot nu heeft iets met bloemen gedaan. Ik vond het voor mijzelf een uitdaging, maar ik heb gemerkt dat ik het heel moeilijk vond. Met die lagen kom je in de fotografie van bloemen snel op het decoratieve terecht. Dan denk je: dit lijkt op een doodsprentje. Of een boekencover. Dan gaat dat werk in de vuilnisbak – beeld en al.

En toch ben je verder gegaan.

Ik wil het dan absoluut kunnen en ik blijf zoeken. Voor proefopnames heb ik zoveel verschillende bloemen gekocht dat ik snel begreep welke bloem werkte. Ik moest echt een eigen licht vinden voor die bloemen, anders dan ik normaal gewend was. Het mocht niet te perfect zijn. Ik ben zelfs zo ver gegaan dat ik bloemen deconstrueerde om ze vervolgens met spelden opnieuw samen te brengen. Maar dat werkte dan ook niet. Mijn zoektocht was lang.

Ingrid (Deuss) speelde een rol in de doorbraak, begrijp ik.

Ik had een aantal werken klaar en had haar gebeld – bij wijze van spreken writer’s block. Ze moest komen zien. En ze zei: ik zie geen bloem meer, ik zie jouw werk. Dat was het signaal dat ik nodig had. Dat mijn gevoel nog klopte, ook al botste ik er zo diep tegenaan. Soms heb je iemand nodig die van buiten naar binnen kijkt.

Welke bloem is je favoriete fotomodel?

Een bloem die een beetje grilligheid heeft. Een tulp – maar dan de grillige soorten. Ik heb echt op de muur staan kijken wat de vorm van dat blad is, hoe open het staat op dat moment, al die kleine details. Ik bekijk bloemen nu heel anders dan vroeger.

Er zijn ook werken waarbij het toeval een rol speelde dat je in de studio eigenlijk had willen uitschakelen.

Dat mis ik soms, ja. In mijn vorige reeks ging ik altijd buiten fotograferen en liet ik veel aan het toeval over – ik fotografeerde het toeval. In het atelier heb je die spelingsruimte om te experimenteren, maar je verliest ook die onverwachte beweging, die windvlaag. Ik moest een ander soort onverwachtheid leren zoeken.

Er zitten tekstfragmenten in je werken – woorden, zinnen, hele bladzijden van boeken. Hoe zijn die teksten binnengekomen?

Mijn vader is in december gestorven. Wat hij mij het meeste heeft bijgebracht, was taal en boeken. Ik ben zonder televisie opgegroeid, maar met een hele boekenkast – die moesten we allemaal gelezen hebben. Toen hij stierf, ben ik bepaalde boeken terug beginnen vastnemen. Boeken die mij aan hem deden denken, die ik van hem had gekregen. En voilà, één van die werken vertrekt vanuit een boek van Serge Gainsbourg. Maar dat is niet bewust gepland. Ik heb dat pas nadien beseft. Het is niet voorbedacht – het kruiste mijn pad op dat moment.

Toch is het een selectieve handeling: je haalt flarden weg en laat andere woorden staan. Dat is een keuze, ook al voelt ze intuïtief.

Ja. Ik noteer zinnen die mij raken in een boekje, en soms val ik op een zin terug en denk ik: dit past als titel bij dat werk. Het is een puzzel die samenvalt. Werken die ontstaan vanuit een zin – nee, dat niet. Het beeld is er eerst. De zin valt er nadien mee samen.

Gainsbourg past ook inhoudelijk: de ironie, het mannelijke zelfbewustzijn, de erotische ondertoon.

Ik haal heel veel uit zijn ironie, en daar vind ik mezelf sterk in terug. He Must Be Bulletproof – die boom, die kracht, die viriliteit. En dan de tekst: een gentleman, een tennisman, perfect in alles. Die krijgt alle lof en alle matches en alle fans op een schoteltje. Dan moet hij wel bulletproof zijn. Maar er is ook iets kwetsbaars aan die perfectie. Iemand die alles heeft, moet misschien ook het meest beschermd worden.

He must be bulletproof, 90 x 64,5 cm
Fine art print on Hahnemühle Rice paper 100g/ m2 in a wengé frame
with art glass and mat / passe partout.

I’m a 9.5 on a bad day. Nog zo’n titel die me doet glimlachen.

Dat is precies zo’n zin die ik heb genoteerd en die ik niet kon loslaten. Die bloem – die staat er zo een beetje protserig, maar ook als een ballerina. Die combinatie van grandeur en kwetsbaarheid. Ik hoor die zin en ik zie die bloem. Dat is hetzelfde ding.

Je zegt voortdurend dat je op intuïtie werkt. Maar die intuïtie is ook heel berekend – je gooit werken weg, je stelt grenzen, je herkent het moment dat iets te decoratief wordt.

Ja, dat klopt. Het is intuïtief, maar het is geen toeval. Ik weet niet op voorhand wat ik ga maken. Ik start van een wit canvas en ik bouw op. Maar wanneer iets op een te gevaarlijke grens zit – wanneer ik voel: oei, dit wordt een boekencover, dit wordt decoratie – dan wil ik er niets meer mee te maken hebben. Dan gaat alles weg. De grens is heel fijn, maar ik voel die.

Is er een grootste gemene deler in die momenten waarop een werk klopt?

Dat is moeilijk te zeggen. Ik denk niet dat er een lijn in zit. Soms werkt een gekleurde band – die geeft een extra laag die iets opentrekt. Maar bij een ander beeld wordt diezelfde band ineens decoratief, en dan gaat het werk weg. Dat is echt intuïtief. Ik wil altijd een zekere sereniteit, maar ook spanning. Die twee dingen tegelijk – dat is wat ik zoek.

Wanneer is een beeld af?

Louter gevoelsmatig. Zoals een schilder die zegt: ja, het is klaar, of nee, er moet nog iets bij. Bij mij is dat hetzelfde. Ik voel dat het nog niet helemaal klopt. En soms doe ik iets weg wat er eigenlijk niet eens meer stond – dat kan ik niet uitleggen, maar ik doe het omdat ik voel dat ik het moet doen.

Dat is bijna mystiek.

Misschien. Maar het is ook gewoon eerlijk. Ik weet niet wat ik doe, in die zin dat ik het niet op voorhand weet. Ik doe iets, en ik zie wat het doet. Dat is het enige dat ik kan zeggen.

Er is iets opvallends aan je reeks: de bloemen zijn altijd op het randje. Niet in volle bloei, maar in die tussenzone.

Dat is iets waar ik tijdens het werk op ben gebotst. Mijn werk gaat niet over vergankelijkheid – dat was mijn intentie niet. Maar op een gegeven moment werd ik me zo bewust van wat die bloemen zijn. Een bloem op zich in een vaas is dood. Dat vaasje is palliatieve zorg. Het water is palliatieve zorg voor een stervende bloem. En iedereen koopt die bloemen gewoon als decoratief object, om huizen op te fleuren. Maar tegelijkertijd is het dode materie die daar staat.

Palliatieve zorg van een bloem. Dat is een beeld dat blijft.

Ik zie vergankelijkheid, maar ik weet niet of ik dat zo wil verwoorden. Misschien moeten mensen dat ook niet op die manier zien. Maar dat is wel hoe ik kijk. Ik was me heel sterk bewust van al die beladen betekenissen – de decoratie, de dood, de schoonheid die al op weg is. En ik gaf er dan nog extra lagen aan. Dat is misschien waar mijn werk het eerlijkst is: onbewust.

Is dat het verschil tussen kunst en decoratie – die extra laag die je niet gevraagd hebt?

Decoratie heeft niet die gelaagdheid, die beladenheid, dat grillige. Decoratie zie je vandaag en je ziet morgen hetzelfde. Kunst zie je afhankelijk van je stemming. Je zou er telkens iets anders in moeten zien. Dat is het verschil voor mij.

Vindt je dat je moeilijk werk maakt voor de kijker?

Ik heb nooit die indruk. Ik geloof dat mijn werk open genoeg is dat iedereen er op zijn manier iets uithaalt. Het ene beeld geeft meer ruimte voor interpretatie – je brein gaat in alle richtingen omdat er veel gebeurt. Het andere geeft meer ruimte voor verbeelding – er gebeurt zo weinig, dat je andere connecties legt. Dat is een verschil, maar geen hiërarchie.

Maak je dit werk ook voor jezelf?

Alle werken die gemaakt zijn, zijn gerelateerd aan een bepaalde fase in je leven. Dat is een stukje toeval dat erin komt. In dit geval is dat de dood van mijn vader, de stoffen van Dries, die bloemen. Ik wil daar niet méér betekenis aan geven dan er is. Gainsbourg zei ooit: Tout le monde est musicien, waar hij naar mijn gevoel ook mee bedoelt dat iedereen kunstenaar is Ik denk dat ook. En ik hoop dat iedereen kunstenaar is van zijn eigen leven, alvast.

After all, tomorrow is another day, 62 x 44 cm
Fine art print on Hahnemühle Rice paper 100g/ m2 in a wengé frame
with art glass and mat / passe partout.

Holding the Gaze – DEUSS Gallery ELSEWHERE, Antwerpen. 14 mei – 21 juni 2026. Antwerp Art Weekend 2026. Met werken van Thibeau Scarceriaux, Karel Fonteyne, Wing Shya en Anouk Van de Wal.

Lees ook: De melancholie van Anouk Van de Wal (kunstflaneur.be, mei 2025).


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder