Wat als je de kunstwereld zou benaderen alsof het geen spontane eruptie van inspiratie is, maar een bouwwerk dat alleen overeind blijft dankzij vakmanschap, structuur en toewijding? Boglárka Timár, Hongaarse van oorsprong, in Antwerpen neergestreken, is zo iemand die het intuïtieve en het institutionele met elkaar weet te verzoenen. Ze spreekt even vanzelfsprekend over de Laocoöngroep als over cashflowplanning, over Brueghel als over contractuele ongelijkheid. In een landschap waarin kunstenaars vaak zonder kompas laveren, probeert zij de kaart te tekenen. Niet om te beheersen, maar om ruimte te maken. Voor verbeelding, voor duurzaamheid, voor autonomie.

Van artefact tot architectuur: de stap van archeologie naar infrastructuur

Ze komt niet uit de marge van de kunstwereld, maar ook niet uit het centrum. Boglárka Timár lijkt net tussenin te bewegen: als een kritische figuur die de kunstwereld niet alleen bewoont, maar analyseert, uitdaagt en tracht te hervormen met wetenschappelijke precisie én een gevoelig oog voor artistieke nuance. Haar achtergrond in klassieke archeologie verraadt zich in de manier waarop ze spreekt: laag na laag, voorzichtig opgraven, duiden, en vervolgens pas bouwen.

Toch besefte ze na het behalen van haar archeologiediploma dat deze weg haar bestemming niet was. Op haar eenentwintigste maakte ze een scherpe wending: ze schreef zich in voor een postgraduaat economie aan de Universiteit van Debrecen. Haar talent voor wiskunde leidde haar naar de statistiek, en al snel voelde ze zich thuis in de wereld van cijfers en economische modellen.   In 2011 startte ze haar loopbaan bij een Frans transportbedrijf, waar ze doorgroeide binnen een internationale, corporate omgeving. Ze rondde haar carrière in het bedrijfsleven af in de wereld van biometrie en AI-technologie.  Wat bleef, was het verlangen om opnieuw iets op te bouwen, maar dit keer geen ruïne of marktaandeel, wel de vaak wankele verhouding tussen kunstenaars, galeries en instituties. “Wat ontbreekt in de kunstwereld,” stelt ze, “is niet talent of passie, maar structuur. Geen marketingpraat, maar juridische basis. Geen façade, maar fundering.”

“Ik heb het gevoel dat ik hier thuiskom in iets wat ik al langer zocht,” zegt ze wanneer ze terugblikt op haar verhuis naar België. Het was een professionele én emotionele keuze. Een ontsnapping aan een Hongaarse context die, zeker voor vrouwen in leidinggevende posities, vaak nog conservatief aanvoelt. “In plaats van mijn energie te verspillen aan een systeem dat niet wil veranderen, heb ik ervoor gekozen om mezelf te verplaatsen naar een omgeving waar ik verandering mee kan vormgeven.”

Ze noemt Antwerpen zonder aarzeling haar thuisbasis. Niet alleen vanwege de nabijheid van Rubens, Jordaens en Van Eyck, ook al klinkt er iets van ontzag wanneer ze hun namen uitspreekt, maar omdat ze hier een artistiek ecosysteem aantrof waarin de lagen van geschiedenis, diplomatie, commercie en creativiteit voortdurend in elkaar schuiven. België is complex, zegt ze. En precies in die complexiteit schuilt een bepaalde openheid die haar toelaat om haar werk te doen.

Structuur als zorg: waarom kunstenaars contracten nodig hebben

Timár noemt de Belgische kunstwereld een paradox. Enerzijds is er een merkwaardige generositeit, een houding van ‘laat maar komen’. De mentaliteit van de kunstenaar die zonder toelating op een biënnale verschijnt en geaccepteerd wordt, bijna als vanzelfsprekend. “Maar,” zegt ze, “die openheid verbergt ook een structureel vacuüm.”

In Hongarije is de kunstmarkt strakker gereguleerd. Galeries zijn vaak familiebedrijven met historische continuïteit, en het netwerk is in hoge mate georganiseerd. Dat biedt bescherming, maar ook uitsluiting: wie buiten het systeem valt, krijgt zelden voet aan de grond.

In België is dat anders. Het is een land van galeristen, kunstenaars en verzamelaars, maar zonder omvattend reglementair kader. “Het gevolg is dat er veel ruimte is voor experiment en initiatief, maar ook voor onzekerheid.” Vooral jonge kunstenaars, zegt ze, hebben het lastig: niet per se omwille van een gebrek aan kwaliteit, maar omdat de professionele kaders ontbreken om op lange termijn een duurzame praktijk op te bouwen.

Wie denkt dat haar pleidooi voor zakelijkheid een aanval is op de poëzie van kunst, vergist zich. Timár spreekt niet over Excel-sheets en management software als vijanden van het artistieke proces, maar als noodzakelijke medestanders. “Ik geloof sterk in heldere contracten, transparantie, in zakelijke afspraken die het artistieke mogelijk maken.”

Ze haalt het voorbeeld aan van Van Gogh en Johanna van Gogh-Bonger, de vrouw die na Vincents dood zijn werk beschermde, archiveerde, verspreidde. “Zonder haar systeem, zonder haar inzicht in markt en reputatie, was zijn oeuvre misschien verloren gegaan.”

Timár wil kunstenaars geen regels opleggen. Integendeel, ze zoekt naar flexibele structuren die recht doen aan de eigenheid van een artistieke praktijk, maar die tegelijk zorgen voor duidelijkheid en wederzijdse verantwoordelijkheid. “Zonder dat blijft kunst drijven in een romantisch beeld waarin de kunstenaar eeuwig miskend blijft.”

Ze keert zich tegen het heersende beeld van de galerie als louter tussenpersoon. “Dat 50%-verhaal, waarbij mensen zich afvragen waarom een galerie de helft van de verkoopprijs krijgt, is hardnekkig, maar simplistisch.”

In haar visie is een galerie een coproducent van waarde: ze biedt infrastructuur, een netwerk, langetermijnstrategieën, zichtbaarheid. “Als een galerie alleen maar bestaat uit witte muren en een openingsreceptie, dan faalt ze.”

Ze onderkent dat ook galeries zich moeten professionaliseren: met financiële prognoses, ondernemingsplannen, juridische helderheid. “Zonder dat kunnen ze ook hun kunstenaars niet adequaat ondersteunen.”

Het is een relatie die gebaseerd moet zijn op wederzijds respect, duidelijkheid én het besef dat een kunstenaar geen leverancier is, maar een partner in een gedeeld traject.

In het kunstonderwijs ziet ze een fundamenteel probleem: het ontbreken van een zakelijke component. “Kunststudenten worden opgeleid tot makers, maar niet tot zelfstandige professionals.”

Tijdens haar gastcolleges aan de Universiteit Antwerpen zag ze het spanningsveld tussen de open toegang tot het hoger onderwijs, iets wat ze prijst, en het gebrek aan instroomcontrole. “De variatie in voorkennis is enorm. Dat maakt het moeilijk om het niveau scherp te houden.”

Ze droomt van opleidingen waarin kunst, economie en recht niet los van elkaar staan, maar in elkaar grijpen. “Je hoeft geen advocaat te zijn, maar je moet wel weten wat je tekent. Je hoeft geen boekhouder te zijn, maar je moet snappen hoe een factuur werkt.”

Het klinkt zakelijk, maar opnieuw: het is een pleidooi voor autonomie. “Kunstenaars moeten zichzelf niet verdedigen tegen het systeem, ze moeten weten hoe ze het kunnen inzetten.”

De paradox van de Belgische kunstwereld: openheid versus onzekerheid

Haar ambities reiken verder dan Sybil Art Management & Consulting ®, haar huidige praktijk. Momenteel werkt ze aan haar doctoraat. Als ik haar vraag over welk onderwerp, lacht ze en belooft me later de titel door te sturen. Enkele uren later rolt de mail binnen met de titel van haar doctoraat Transparency and Regulation in the 21st Century Art Market: Legal and Economic Perspectives- Can regulation and transparency be the solution: What legal and economic frameworks (contracts, standards, or regulatory models) could increase transparency and protect players, especially smaller-scale ones? Ik besluit geen verdere vragen te stellen.

Daarnaast wil ze een educatief platform uitrollen waarin juridische, financiële en artistieke inzichten samenkomen, en droomt van een instituut dat vergeten oeuvres veiligstelt voor de toekomst.

“Zoveel kunstenaars verdwijnen simpelweg omdat niemand de moeite neemt om hun werk te archiveren, te contextualiseren, te beschermen.” Ze wil een plek creëren waar erfgoed geen stoffige voetnoot wordt, maar een levend instrument voor de toekomst.

Op de vraag of ze zelf ooit kunst heeft willen maken, antwoordt ze bedachtzaam. “Iedereen heeft creativiteit in zich, maar ik geloof in het ontwikkelen van je sterkste talenten.”

Voor haar is dat niet schilderen, niet beeldhouwen, maar bouwen aan structuren. “Ik ben geen kunstenaar, maar ik maak ruimte voor kunst.”

Vrijheid is geen toeval: hoe beperking een hefboom wordt

Het is die paradox – het onzichtbare zichtbaar maken, het zakelijke verbinden aan het artistieke – die haar werk zo wezenlijk maakt. In een kunstwereld die soms verdwaalt in vrijblijvendheid, is haar visie een vorm van engagement die zacht is én radicaal.

Ze is geen kunstenaar, geen verzamelaar, geen galerist in de klassieke zin. En toch is haar rol fundamenteel. In een veld waar inspiratie vaak belangrijker wordt geacht dan infrastructuur, waar intuïtie het wint van inzicht, is zij degene die laat zien dat de ruggengraat net zo essentieel is als de verbeelding.

Ze bouwt geen muzen, maar fundamenten. Geen beelden, maar bruggen.

En misschien is dat wat de kunstwereld nu het meest nodig heeft: geen nog luidere roep om aandacht, maar mensen die achter de schermen het geheel overeind houden. Die weten dat schoonheid kwetsbaar is, en dat zonder zorg, zonder visie, contract of structuur, zelfs het meest briljante oeuvre in stilte kan verdwijnen.

Of zoals Igor Stravinsky het ooit zei: “The more constraints one imposes, the more one frees one’s self.” In de handen van Boglárka Timár worden die ‘constraints’ geen hindernis, maar hefboom. Niet het einde van vrijheid, maar haar begin. En precies daarin schuilt haar kracht.

Wie meer info wenst, kan altijd terecht op Sybil Art Management & Consulting ®


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder