Ik ben altijd een blauwmens geweest. Dat klinkt als een bekentenis, en misschien is het dat ook. Blauw is de kleur die ik opzoek in musea, de kleur die mij vertraagt, die mij tot stilstand brengt voor een doek waar een ander achteloos voorbijloopt. Blauw trekt niet, het zuigt. Het is de kleur van diepte, van afstand, van het ondefinieerbare verlangen dat de Duitsers zo treffend Sehnsucht noemen. Blauw is het verlangen zelf, naar vorm gegoten.
Rood is iets anders. Is aanwezig. Rood eist en wacht niet tot je komt kijken – het trekt je bij de kraag. Ik heb altijd een lichte achterdocht gehad tegenover die onbeschaamdheid. De kleur die nooit twijfelt, nooit aarzelt, nooit de neiging voelt om te fluisteren. Rood is de kleur van het theater, van het vertoon, van de te brede lach. Of zo dacht ik.
In Zingend rood – de nieuwe tentoonstelling van het KMSKA die het Belgische modernisme openplooit als een partituur – word ik uitgenodigd om naar de andere kant van het spectrum te kijken. Drie grote namen, drie kleurvisioenen, één obsessie: de vraag of pigment kan klinken. Ik ga. Met enige scepsis, maar ik ga.
Rood is het begin
De tentoonstelling opent met Rubens. Niet toevallig: Heilige familie met de papegaai (1614–1633) hangt er als een vroeg manifest, een historisch ankerpunt van waaruit alles vertrekt. Het Rubensrood is hier fysiek aanwezig, bijna onbeschaamd in zijn warmte. Ik kijk ernaar zoals je kijkt naar iemand die te luid lacht op een begrafenis: geïrriteerd, maar ook heimelijk gefascineerd.

Op een muurpaneel ernaast staan de woorden die de expo haar titel gaven. Jules Schmalzigaug schreef ze in 1914 aan Umberto Boccioni over een ander werk van Rubens, de Aanbidding door de koningen (1624–1625), en de rode mantel van de koning die op de voorgrond van dat monumentale altaarstuk staat afgebeeld en recht de zaal in kijkt. Schmalzigaug had nog nooit een impressionistisch schilderij gezien met zo’n rouge qui chante, schreef hij. Een zingend rood, in de taal waarin hij het voelde. De Heilige familie is de echo van dat citaat, de belichaming ervan in deze zalen. Ze hoeft die voorgrondkoning niet te zijn om hetzelfde te zeggen. Want Schmalzigaugs woorden zijn eigenlijk al het hele programma van de expo in één zin samengebald: er bestaat een rood dat zingt. Het is een futuristische gedachte, maar ook een oeroude intuïtie dat er iets in een bepaald pigment zit dat je niet ziet maar hoort, dat trillt op een frequentie die het oog alleen niet kan vatten. Synesthesie, noemen neurologen dat. Maar voor Schmalzigaug was het geen neurologisch curiosum, het was een artistiek programma.
Ik sta lang voor het Rubens. Ik probeer het te horen, dat rood. Het lukt niet meteen. Maar ik blijf staan.
Wat aan de drie voorafging
Voordat de expo je bij de grote drie brengt, legt ze een voorgeschiedenis bloot die minstens even boeiend is. Henri De Braekeleer hangt hier als een stille bekentenis van de Belgische schilderkunst: dat de bevrijding van kleur geen revolutie van buitenaf was, maar van binnenuit groeide. Wat Ensor én Schmalzigaug in hem herkenden – en ook Van Gogh, die hem op eenzelfde hoogte stelde als Manet – was die beeldende kracht die de kleur altijd aan zichzelf houdt, hoe intens je haar ook aanbrengt. Het pigment laat zich niet opslorpen door het onderwerp. Het blijft zichzelf.

Bij De Braekeleer word ik vooral getroffen door De verfwrijver. Dat schilderij stelt de eenvoudigste vraag van de hele tentoonstelling: wie begint er niet met doodrood? De man op het doek wrijft verf, maakt verf, is verf. Rood is niet de keuze – rood is het begin.
Dieper de zalen in verandert de lucht. De werken van James Ensor brengen iets mee wat ik alleen kan omschrijven als atmosferische drukte. Zijn kleuren botsen, dringen op, gedragen zich als stemmen die door elkaar praten. Critici noemden zijn schilderijen ooit symfonieën van kleur, en staand voor zijn werk begrijp ik die kwalificatie beter dan ooit. Er is hier geen harmonie in de traditionele zin. Er is contrapost, er is wrijving, er is de nerveuze energie van een orkest dat zijn akkoorden niet helemaal vindt – en juist daarin, in die gespannen onvolmaaktheid, zit de levende kracht.
De Oestereetster stopt mij langer dan ik had verwacht. Op de tafel manifesteert zich een fantasmagorie van kleuren – glazen, messen, schalen, het versnipperde licht op al die oppervlakken. Maar het rood is hier geen accent, het is een ritme. Verbind het rood van het bevloerde naar het wijn, van het wijn naar de boekrug, naar beneden – en je ziet hoe Ensor de compositie heeft gebouwd. Niet vanuit de vorm, maar vanuit de kleur. Het rood ontsluit de structuur zoals een melodie de harmonie ontsluit: achteraf begrijpelijk, van tevoren onvermoed.

James Ensor interesseert mij als colorist altijd via een merkwaardig omweggetje: zijn rood is pas leesbaar in relatie tot wat het niet is. De maskers die hij schilderde, die groteske gezichten in hun geelgroene bleekheid – zij zijn het die het rood laten schreeuwen. Zonder dat doodse, grauwe veld errond zou het rood slechts kleur zijn. Nu is het contrast, spanning, drama. Het is het blauw dat het rood zijn stem geeft – of de afwezigheid van blauw, de plek waar het donker wordt en het rood des te harder flakkert.
Maar ik zoek intussen toch de blauwen op. Ik kan er niets aan doen. De heldere, kletterende blauwen in Ensors achtergronden, de blauwgrijze koelte die hij gebruikt als tegenwicht voor de felste pigmenten – ik volg die draad als een geheime route door de expo, als een pelgrim die het verkeerde heiligdom bezoekt maar toch niet naar huis wil.
De gemiste hoofdrol
Dan Jules Schmalzigaug. Zijn werk is voor velen de minst bekende van de drie – een Antwerpse futurist die te vroeg stierf, wiens oeuvre klein is maar fel, als een vuurpijl die te snel uitdooft. In Zingend rood verschijnt hij als de meest programmatische van het trio: de man die kleur expliciet als muziek begreep, die correspondeerde met Boccioni alsof ze de kleurrevolutie aan het plannen waren.
Wat de tentoonstelling hier onthult, en wat mij pas ter plekke echt raakt, is de chronologie. In 1915 voert Alexander Scriabin zijn Prometheus uit in de Carnegie Hall, met een kleurenklavier dat de muziek vertaalt naar licht – synesthesie als spektakel. Maar Schmalzigaug beschreef exact datzelfde idee al een jaar eerder, in brieven aan vrienden. Hij zat er helemaal bij – naast Scriabin, naast Kandinsky, naast Giacomo Balla. Had hij zijn ideeën kunnen publiceren, had de oorlog zijn carrière niet afgebroken, dan was zijn naam vandaag misschien even bekend als die van Kandinsky. Die wetenschap maakt zijn werk in de zalen van het KMSKA plotseling anders leesbaar – niet als curiosum, maar als gemiste hoofdrol.
Voor Schmalzigaug is rood geen kleur maar een snelheid. Een vector. Het schiet door het beeldvlak zoals een steen door stilstaand water. En op de plek waar het rood ophoudt, begint de trilling – die na-echo in de omringende kleurvelden die de ervaring van beweging creëert zonder dat er één vorm werkelijk verplaatst is. Schilderkunst is niet statisch omdat ons oog dat niet is. De schilder die dat weet, schildert voor een bewegend oog.

Rik Wouters is voor mij de verrassing van de middag. Zijn huiselijke interieurs, zijn vrouw Nel die poseert in gevlekte zon, de alledaagse schoonheid die hij tot een haast gegeven kosmisch verheft – het is warmte zonder sentiment, kleur zonder nostalgie. Zijn rode accenten zitten niet in drama maar in het detail: een kussen, een rand, een schaduw die rood blijkt te zijn wanneer je goed kijkt. De kleur heeft adem. Ze ligt op het doek maar drukt er niet op.
Het rood dat hij gebruikt is niet het rood van Rubens, niet het futuristische rood van Schmalzigaug. Het is een intiem rood. Een rood dat niet zingt maar mompelt, dat niet optreedt maar aanwezig is, zoals de geur van een huis dat je kent. En voor het eerst die dag heb ik het gevoel dat de kleur mij iets rechtstreeks vertelt – niet via het oog, niet via het intellect, maar via iets wat ik niet precies kan benoemen.
Het is precies dit wat de expo in haar meest geslaagde momenten doet: ze onderscheidt de verschillende soorten rood van elkaar. Het theatrale rood van Rubens. Het futuristische rood van Schmalzigaug. Het intieme rood van Wouters. Drie dezelfde golflengtes, drie totaal verschillende ervaringen.


Blauw luistert
Ik besef dat Zingend rood uiteindelijk niet over rood gaat. Of toch niet alleen. Het gaat over de manier waarop kleur kan werken als een auditief fenomeen, als iets dat de grenzen van het zien overschrijdt. En in die bredere these past blauw even goed als rood. Mijn blauw zingt ook, zij het in een lagere toonhoogte. Het zoemt eerder dan dat het schalt. Het is de cello die je pas hoort als de trompet zwijgt.
Ik verlaat het KMSKA met het ongemakkelijke gevoel van iemand die een debat heeft bijgewoond waarbij beide partijen gelijk hadden. Rood heeft mij niet overtuigd om mijn blauw te laten varen. Maar het heeft mij wel iets laten horen dat ik anders niet gehoord zou hebben: dat een kleur pas echt zingt wanneer er een andere kleur is die luistert.
Blauw luistert. Rood zingt.
Misschien is dat de verhouding die ik zocht. Misschien is dat de verhouding die altijd al bestond, en zag ik ze alleen vandaag voor het eerst.
Zingend rood. Topstukken van Ensor, Wouters en Schmalzigaug loopt van 11 april tot en met 30 augustus 2026 in het KMSKA, Antwerpen.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
